Huis van Verbetering en Opvoeding

Op 4 juni 1857 opende het Huis van Verbetering en Opvoeding in Alkmaar haar deuren. Het was bedoeld voor jongens onder de zestien jaar die zonder oordeel des onderscheids een delict hadden gepleegd. Volgens artikel 66 van het Wetboek van Strafrecht (Code Pénal) moesten deze kinderen geen gevangenisstraf krijgen, maar moesten ze in een speciaal verbeterhuis worden opgevoed. Ze werden daar dan langere tijd geplaatst, meestal tot het twintigste levensjaar.

Alhoewel artikel 66 als sinds de invoering van de Code Pénal in 1811 bestond, kwam er bij officieren van justitie en rechters pas geleidelijk aandacht voor. In het begin van de 19e eeuw werd er geen onderscheid gemaakt tussen gevangenen: mannen, vrouwen en kinderen werden door elkaar gevangen gehouden. Pas rond 1840 veranderde dat: jongeren werden gescheiden van volwassenen en mannen werden gescheiden van vrouwen.

Onder druk van het Nederlandsch Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen (GZVG) werd er in 1833 een speciale jeugdgevangenis in Rotterdam geopend en werd in 1836 een scheiding van jongens en meisjes doorgevoerd met aparte gevangenissen in Rotterdam en Amsterdam. In de praktijk leidde dat in eerste instantie nog niet echt tot verbetering, omdat gestraften en opvoedelingen door elkaar werden vastgehouden. Het veranderde pas echt toen in 1857 het Huis van Verbetering en Opvoeding in Alkmaar werd geopend.

Jongens, ik heet u welkom in een Huis, waar ge 't goed zult hebben, naar ligchaam en geest, - waar ge zult opgevoed worden voor meer dan één vaderland. - Zulk een goed Huis hadt gij zeker niet verwacht, toen gij wegens ongehoorzaamheid aan de wetten des Lands, door den Regter veroordeeld werdt. Maar gij woont in Nederland, - en Nederland is een land der menschenliefde. (...) Jongens, gij hebt geen goud of zilver, - en toch zult gij moeten betalen, wat gij hier aan kleding en dekking, aan spijs en drank, aan onderwijs en opvoeding ontvangen zult! - waarmede dan? vraagt gij. Met dankbetoon, - zichtbaar in een gehoorzaam, ordelijk, ijverig, liefderijk gedrag.

Met deze woorden opende directeur A. Meeter Pzn. het verbeterhuis. Volgens artikel 1 van het Reglement was het gesticht bestemd om de ingevolge art. 66 van het Wetboek van strafregt bedoelde jongelingen welke door den Regter zijn vrijgesproken, als zonder oordeel des onderscheids gehandeld hebbende, op te nemen en te bewaren ten einde gedurende den tijd bij het vonnis bepaald, te worden verbeterd en tot nuttige leden der maatschappij opgeleid.


De Gasthuisstraat in Alkmaar in 1890 met links het Weeshuis en rechts naast de kerk het Huis van Verbetering en Opvoeding

Het gesticht bestond uit drie verdiepingen. Op de begane grond waren lokalen ingericht als eetzaal (tevens recreatiezaal), gymnastiekzaal, school, regentenkamer, schoenmakerij, bergplaats, timmerwerkplaats, bewaarderskamer en keuken. Op de eerste verdieping bevonden zich de slaapzalen, de kleermakerij, strafcellen, een ziekenkamer en het bureau voor de arbeid. Op zolder was een grondstoffenmagazijn voor de arbeid en de huisdienst. Naast het hoofdgebouw was een woning voor de directeur en de onderdirecteur, en een aparte bakkerij, die van de gemeente werd gehuurd. Het gebouw lag aan een ruime binnenplaats die gelegenheid bood tot recreatie, lichamelijke oefeningen en spel.

De inrichting van het verbeterhuis was minimaal, maar wel beter dan in de gevangenissen. Zo werd er op de slaapzalen niet in hangmatten, maar in ijzeren kribben geslapen en was er voor elke jongen een eigen kastje voor het opbergen van kleding, was- en eetgerei. De slaapzalen waren bovendien voorzien van gasverlichting en konden 's winters met kachels worden gestookt.

Het Huis van Verbetering en Opvoeding in Alkmaar ging in 1857 van start met een bezetting van 44 jongens en groeide door tot 240 in 1884. Alhoewel het huis geregeld werd verbouwd, was het slechts geschikt om 200 jongens op te vangen. Vanaf 1878 werd jongensgevangenis De Kruisberg in Doetinchem dan ook als Hulphuis van Verbetering en Opvoeding ingezet. Werd het in Alkmaar te vol, dan werden er jongens naar Doetinchem overgeplaatst. Vanaf Alkmaar ging het per trein naar het station in Dieren, waar een rijtuig klaarstond. Met de veerpont werd de IJssel overgestoken en vervolgens reed men naar Doetinchem.

Bij binnenkomst in het Huis van Verbetering en Opvoeding werd een jongen in diverse registers ingeschreven, waarin ook aantekening werd gemaakt van zijn karakter en vroeger gedrag. Daarna moest de jongen zijn persoonlijke bezittingen inleveren en zijn kleren uittrekken. Hij werd dan door een arts onderzocht. Soms ging een jongen voor bepaalde tijd in quarantaine. Na het geneeskundig onderzoek kreeg de jongen gestichtkleding: een werkbroek en een buis van grof linnen, klompen en een pet. Voor bijzondere gelegenheden kreeg hij bovendien een lakense broek en buis met metalen knopen, schoenen en een lakense pet.

Hierna kreeg de jongen een krib op de slaapzaal toegewezen. Hij kreeg een matras en peluw (gevuld met zeewier), twee linnen lakens en twee wollen dekens. Dan mocht hij zijn kastje gaan inruimen met zijn overige kleding, onderhoudsartikelen en bestek. Bij het eerstvolgende appèl werd hij aan de overige jongens voorgesteld. Vanaf dat moment was hij onderworpen aan het ritme van leren, oefenen, werken, eten en slapen. 

Een dag in het verbeterhuis zag er als volgt uit:

  • 6.00 uur: opstaan, wassen en bed opmaken
  • 6.30 uur: appèl met voorlezen van godsdienstige lectuur
  • 7.00 - 8.00 uur: ontbijt
  • 8.00 - 8.30 uur: marcheren in de open lucht
  • 8.30 uur: ambachtsonderwijs (timmeren, houtdraaien, kleermaken en schoenmaken)
  • 13.00 uur: appèl
  • 13.00 - 14.00 uur: warm eten en gelegenheid tot recreatie
  • 14.00 - 18.00 uur: ambachtsonderwijs
  • 18.00 - 19.30 uur: gewoon onderwijs
  • 19.30 - 21.00 uur: eten, ontspanning en lezen van boeken
  • 21.00 uur: laatste appèl en naar bed.


De Kruisberg in 1916 

's Winters hoefden de jongens pas om 7.30 uur op te staan en werd er niet gemarcheerd. Verder gold deze dagindeling zes dagen in de week. Alleen op zon- en feestdagen ging het anders.  

Het overgrote deel van de jongens die in Alkmaar en Doetinchem terecht kwamen, was tussen de 10 en 16 jaar oud. Toch kwam het geregeld voor dat ook heel jonge kinderen (van 5 tot 9 jaar) er werden geplaatst. Bijvoorbeeld in gevallen waarin de ouders naar de gevangenis werden gestuurd in verband met bedelarij en landloperij. Voor het overige kwamen de jongens er vooral terecht, omdat ze kruimeldiefstallen hadden gepleegd. In de bijlage een brief van het Ministerie van Justitie van 21 mei 1884, waarin zij de Speciale Commissie van het Huis van Verbetering en Opvoeding vraagt om getallen bij de diverse delicten te noteren. Van de 304 jongens in Alkmaar zitten 28 er in verband met bedelarij en landloperij, 253 in verband met diefstal en oplichting en 23 in verband met andere delicten.

Eigen onderzoek in de archieven van het Noord-Hollands Archief leverde op dat het vaak om kleine vergrijpen ging: een paar appels, wat geld uit een winkel en zelfs een kerstboompje.

Ook één van de kinderen uit de familie Brandsma komt in het Huis van Verbetering en Opvoeding terecht. Eerst in Alkmaar en later in Doetinchem. Daar overlijdt hij op 10-jarige leeftijd. Zijn naam is Jan Lykeles Brandsma.