De vijf speciën

De vijf speciën zijn belastingen die van oudsher alleen in Friesland werden geheven. In eerste instantie gebeurde dat afzonderlijk, maar later werd het om praktische redenen gebundeld. Dat gebeurde door een besluit van de Staten van Friesland op 9 maart 1637. De vijf speciën waren: het schoorsteengeld, het hoofdgeld, het hoorngeld, het middel op de bezaaide landen en het paardengeld. In de speciekohieren zijn ze met een letter afgekort boven kolommen terug te vinden.

S = schoorsteengeld
H = hoofdgeld
HH = half hoofdgeld
K = koeien
R = rieren (= vaarzen)
G = gezaai (= middel op bezaaide landen)
P = paarden

De vijf speciën werden jaarlijks geheven. De inning van deze belastingen werd gewoonlijk verpacht aan de hoogstbiedende, maar na het pachtersoproer van 1748 door belastingontvangers 'bij collecte' ingevorderd. In 1805 werden deze belastingen afgeschaft.

Het schoorsteengeld bedroeg £ 3 (= 3 Carolusgulden) per jaar per in gebruik zijnde schoorsteen. Een dichtgemetselde schoorsteen telde niet meer mee. Schoorstenen in schuren of stallen werden soms als halve schoorstenen genoteerd. De eigenaar en de gebruiker betaalden elk de helft van het verschuldigde bedrag. Bedeelden waren vrijgesteld. Als een huis op een plaats werd gebouwd, waar nog niet eerder een gebouw had gestaan, werd de eerste tien jaar geen schoorsteengeld geheven. Hetzelfde gold voor mensen van wie het huis in vlammen was opgegaan en die het vervolgens herbouwden.

Het hoofdgeld of familiegeld was verschuldigd voor elke ingezetene van 12 jaar of ouder. Het bedroeg £ 3 per hoofd per jaar voor gegoeden met een vermogen van £ 600 of meer. Minder gegoeden betaalden half hoofdgeld en bedeelden waren ook hier weer vrijgesteld. Het hoofdgeld werd in 1795 gedeeltelijk en in 1797 geheel afgeschaft.

Het hoorngeld werd betaald door eigenaren van koeien van drie jaar en ouder. Vaarzen (in het Fries: rieren) kosten half geld. Kalveren, stieren en ossen waren vrijgesteld. Het tarief varieerde met de vruchtbaarheid van de grond. Er werden drie kwaliteiten onderscheiden: ‘hoog quartier’, ‘laag quartier’ en ‘broek-, moer- en heydlanden’. Het hoogste tarief bedroeg een caroligulden per koe per half jaar.

Het middel op de bezaaide landen. De naam zegt het al. Ook hier werd gedifferentieerd naar de kwaliteit van de grond. Het hoogste tarief was £ 0 – 5 – 6 per pondemaat (= 36,74 are) land.

Het paardengeld was zeven stuivers per half jaar per paard. Voor zogende veulens werd niets betaald.

De inning van de vijf speciën werd vastgelegd in belastingboeken: de speciekohieren. Ze werden in concept opgezet door de grietenijsecretaris door overschrijving van het lopende kohier. Vervolgens werden ze midden juni in samenwerking met de plaatselijke autoriteiten geactualiseerd. De gecommitteerden gingen niet bij de huizen en boerderijen langs, maar lieten de ingezetenen voor zich verschijnen. De belastingplichtigen moesten hun aangifte onder ede bevestigen. De boetes voor valse aangiften waren niet mals: 12 gulden per verzwegen hoofd, schoorsteen, rund, paard of pondemaat bouwland. Men had nog tot 1 juli de tijd om iets bij te stellen, daarna was de aangifte definitief.