Geld in de 17e en 18e eeuw

Het geldstelsel dat we nu in Nederland kennen (euro’s ► € )
is nog betrekkelijk jong. Het is op
1 januari 2002 ingevoerd ter vervanging van het stelsel dat was gebaseerd op guldens ► (f ) en dat dateerde uit het einde van de Franse tijd. Toen de gulden werd ingevoerd, bleven oudere muntsoorten (als de Friese gouden rijder) tot het midden van de 19e eeuw in omloop.

Ten tijde van de Republiek had elk gewest zijn eigen munt. Dat betekende niet dat elke provincie ook zijn eigen muntstelsel had. Integendeel, de munten leken alle sterk op elkaar en waren in de gehele republiek te gebruiken. Omdat de waarde van een munt destijds werd bepaald door het gehalte aan zilver of goud, waren er ook nogal wat buitenlandse munten in omloop.
Met behulp van tarievenboekjes was het mogelijk om van Duitse, Franse, Spaanse of andere muntstukken de juiste waarde te berekenen.

Het geldstelsel uit de 17e en 18e eeuw leek sterk op het stelsel dat tot voor kort in Engeland in gebruik was. Men rekende in guldens, stuivers en penningen. Een stuiver had de waarde van 16 penningen en de gulden was 20 stuivers waard. De gulden was genoemd naar Karel V (1500 – 1558) ► carolusgulden (symbool: £ ). In de 18e eeuw gebruikte men bijna uitsluitend nog deze carolusgulden. De goudgulden of florijn (= 28 stuivers) en de philipsgulden (= 25 stuivers) waren in onbruik geraakt. De daalder (= 30 stuivers) werd nog wel als rekeneenheid gehanteerd. Bekende veelvouden van de stuiver waren het dubbeltje (= twee stuivers) en de schelling (= zes stuivers).

Het noteren van geldbedragen ging in drie groepen van cijfers, gescheiden door streepjes. In plaats van de nul werd ook vaak de dubbele punt (► : ) gebruikt. Zo betekent ► £ 34 – 16 – 12 dan ook 34 carolusguldens, 16 stuivers en 12 penningen.
► £ 62 –  : –  5 betekent 62 carolusguldens, nul stuivers en 5 penningen.
   
Zilveren Carolusgulden