Kustvisserij

Beknopte geschiedenis van de kustvisserij in Zandvoort en Noordwijk
De vissers van Zandvoort en Noordwijk varen al eeuwenlang met hun scheepjes de Noordzee op om schol, schelvis en haring te vangen. Halverweg de 14e eeuw wordt al gesproken over pinken, maar ook over scollscepe, hoeckscepe en slabbote. Met de scholscheepjes werd voor de kust met sleepnetten gevist op schol, tong en garnalen. De hoeckschuitjes visten met de beug (= een lange lijn met haken waaraan aas zat) op kabeljauw, schelvis, makreel en schol.

  Kabeljauw

De slabboten waren iets groter. Ze werden vooral gebruikt voor de haringvangst met de vleet   (= een samenstel van drijfnetten). 

 Vissen met de vleet

Pinken werden in de meeste kustdorpen gebruikt, omdat zij op het strand konden landen. Dat gebeurde bij vloed, zodat de bootjes bij eb droogvielen en dan gemakkelijk gelost konden worden. Bij opkomend tij konden ze dan eenvoudig worden vlot getrokken. Hetzelfde geldt voor de bomschuiten

. Bomschuiten op het strand

De bomschuit is een merkwaardig vaartuig: met zijn overnaadse bouw, een lengte-breedteverhouding van 2 : 1, een platte bodem en een enigszins afgeronde steven en kim lijkt dit schip nog het meest op een drijvende sigarenkist. Maar de bomschuit was uitermate geschikt om op onze lage kust te landen. Met volle lading en onder zeil landden de bomschepen bij vloed op de kust.

Wanneer een bomschuit was geland, werd direct met het lossen van de vangst begonnen. De vis werd in manden te kijk gezet, de fijnere soorten werden in vierkanten op het strand gelegd en ondermaatse vis werd als mest voor het land verkocht. De opbrengst daarvan was voor de bemanning.

Intussen waarschuwde de dorpsklinker met zijn koperen klink de dorpelingen. Als de stokhouder, de afslager en de naschrijver op het strand waren gearriveerd, kon de visafslag beginnen. De stokhouder wees met zijn stok een partij vis aan en de afslager riep dan in hoog tempo het aantal stuivers in een afdalende reeks. Als iemand 'mijn' riep was hij de koper. De afslager noteerde dan zijn naam en de naschrijver maakte van elke koop een briefje.

Bij de prijs van de koop kwam nog een stuiver godsgeld. Dat was bestemd voor de kerk, het weeshuis en het armenhuis. De afschrijver had recht op een wekelijks zootje vis. De visafslag was aan de afschrijver verpacht. Uit de opbrengst van de afslag moest hij zijn hulpjes betalen en de pacht. Van de reders kreeg hij een duit van elke gulden die hij had omgezet.

Nadat de vis was verkocht, werd deze met wagens maar nog veel vaker te voet afgevoerd naar de plaatselijke markten. Voor Zandvoort was dat Haarlem, voor Noordwijk was dat Leiden. Het vervoer te voet werd gedaan door zogenaamde vislopers. Dat waren voornamelijk vrouwen en kinderen, die met zware manden vis op de rug vele kilometers moesten lopen om de vis op de markt aan de man te brengen.

 Visloopster

De haringvangst was het belangrijkste onderdeel van de kustvisserij. Zodra de bomschuit vrij van het strand was, zette het schip koers naar de Shetland Eilanden. In de baai van Lerwick verzamelden in de vroege zomer honderden Hollandse schepen voor de haringvangst. Aangekomen bij de visgronden werd de vleet in zee gezet. De bemanning ging vervolgens aan de avondmaaltijd: thee, zeekaak en makreel die op de kachel was gebraden. Meestal was er pap en bier toe. Vervolgens ging de bemanning te kooi (= slapen).

 Haringvissers in Lerwick

's Nachts om een uur of twee of drie werd de vleet binnengehaald. De haring werd uit de netten geschud en in de krebben (= afgeschotte gedeelten) op het dek bewaard. Bij halve vleet werd er gepauzeerd en als de complete vangst was binnen gehaald, was het zo rond de klok van zes of zeven uur in de morgen. Na wat brood en koffie ging de bemanning de haring kaken. Met het kaakmesje werd de gal met bijbehoren uit de haring gehaald. Een goede visser kaakte ruim 600 haringen (= twee kantjes) per uur.

De gekaakte haring ging in manden die gesorteerd stonden naar maatjes (= haring waarvan de hom of kuit nog zeer weinig is ontwikkeld), volle
(= haring waarvan de geslachtsproducten goed zijn ontwikkeld) en ijle
(= haring die al heeft gepaaid en zeer mager is) haring. Vanuit de manden werden de haringen in een warbak geschept en door het zout geroerd. Daarna werden de haringen in tonnen gelegd. Het kaken duurde afhankelijk van de grootte van de vangst tot ongeveer één uur in de middag.

Voor de bewoners van de kustplaatsen gold sinds de 16e eeuw een kaakverbod. Zij mochten alleen de ongekaakte, goedkopere steurharing aanleveren. De duurdere pekelharing was namelijk gereserveerd voor de steden. Deze achterstelling van de visserij in de kustplaatsen heeft tot 1857 geduurd. Voor de vissers van de kustplaatsen betekende het verbod dat hun haring grotendeels tot bokking werd gerookt en verkocht.

 Haring speten

 Haringrokerij in Noordwijk (1895)